15-05-12

'Persvrijheid': mediatieke lynchpartijen

cd-roms.jpgMarcel Vervloesem, de aktivist die de kinderpornozaken Temse-Madeira en Zandvoort onthulde, werd gedurende 11 jaren door de pers aan de schandpaal genageld.

Vier jaar geleden kreeg hij van de rechters van Turnhout die hem jarenlang via dit media-proces vervolgden, een spreekverbod met de pers opgelegd, dat nog steeds van toepassing is.

Reeds twee jaar lang mag hij niemand van de door hem opgerichte vereniging 'Werkgroep Morkhoven' contacteren en mag hij niet meewerken aan verenigingen die kindermisbruiken bestrijden.

Vervloesem die een hart-, kanker', nier- en diabetespatiënt is, wordt op dit ogenblik door de beslissingen van voornoemde rechters, al 5 maanden lang in voorlopige hechtenis gehouden in de gevangenis van Turnhout, waar dat gevangenen, wegens plaatsgebrek, op matrassen op de grond moeten slapen.

Een 14-tal dagen geleden werd hij bij een geesteszieke in een cel gestoken.  Hij liep ernstige infecties op en moest tengevolge van hartproblemen met spoed in het ziekenhuis worden opgenomen.  Terwijl men hem al 5 maanden lang op een geraffineerde manier in voorlopige hechtenis houdt, werd hij op de Dienst Intensieve Zorgen van het ziekenhuis gedurende 5 dagen aan zijn ziekenbed vastgeketend.

Men tracht hem ook van de buitenwereld te isoleren door de brieven van zijn dochter, kleindochter en vrienden systematisch achter te houden.

Justitieminister Turtelboom (VLD, Vlaamse liberalen) die de Turnhoutse procureur Jan Poels tot kabinetschef benoemde, werd ingelicht over deze kwesties maar behoudt het stilzwijgen.

Uit het bijgaande artikel blijkt dat 'er een probleem bestaat' en dat Vervloesem niet de enige is die door de 'vrije pers'  spreekwoordelijk naar het schavot wordt geleid.

-------------------------------------------------------------

De perswet over het vermoeden van onschuld 

 JOHN DE WIT 9 MAART 2012 - Tijdens de voorbije week organiseeerde de Kamercommissie Justitie hoorzittingen over een wetsvoorstel van Thierry Giet (PS) om het "vermoeden van onschuld" van verdachten te beschermen tegen "mediatieke lynchpartijen". De meeste ondervraagde getuigen wezen het voorstel af, hoewel iedereen toegaf dat er een probleem was. Over de alternatieven was men het minder eens. Een Orde voor Journalisten? Het persmisdrijf correctionaliseren? Het recht van antwoord hervormen? Het eenzijdig verzoekschrift afschaffen of beperken? In ieder geval ziet het er naar uit dat het voorstel-Giet begraven wordt of minstens grondig hervormd. Een overzicht van het debat.

1. Wat is het probleem?

De Kamerleden Thierry Giet (PS) en Christian Brotcorne (cdH) vinden dat te veel onschuldige mensen in de pers als schuldig worden voorgesteld. Ze zijn verontwaardigd over allerlei lekken uit gerechtelijke onderzoeken, over foto's van verdachten in handboeien die telkens weer opnieuw worden gepubliceerd, over lasterlijke roddels in de gerechtelijke berslaggeving. Ze vinden dat daar momenteel niet veel kan tegen worden gedaan. "Persmisdrijven zijn zo goed als straffeloos, het recht op afbeelding van een verdachte persoon wordt te weinig beschermd, de journalistieke deontologie bevat geen tuchtsancties en daardoor haalt het recht op vrije meningsuiting te vaak de bovenhand op het recht op een eerlijk proces van de verdachte", zo luidt het.

In het verleden werden al meerdere voorstellen gelanceerd om de vermeende sensatiezucht van de pers aan banden te leggen. Einde 1984 diende de Essense volksvertegenwoordiger Herman Suykerbuyk (CVP) een wetsvoorstel in om het noemen van namen van verdachten te bestraffen. Het werd nooit wet, want er kwam enorme druk van wijlen Louis De Lentdecker, de roemruchte assisenverslaggever van Het Nieuwsblad, en later van de AVBB, de journalistenbond. Maar het voorstel bleef echter sudderen en kent ook nu nog aanhangers.

Onder hen de bekende strafpleiter Walter Van Steenbrugge in zijn boek De Affaire Justitie: "Zolang een strafzaak niet volledig is afgehandeld door het gerecht mogen de onderzoeksrechter, het parket en alle partijen niet met de pers praten. Journalisten mogen zolang geen foto's of namen van betrokkenen in de krant of op de televisie brengen en ook alle hints over de identiteit van de betrokkenen zijn uit den boze. Alleen zo blijft het vermoeden van onschuld overeind", zo schrijft hij. (Zie: hier, nvdr).

Een ietwat lichtere versie van dit voorstel wordt verdedigd door Dirk Van Gerven, de stafhouder van de Nederlandstalige balie van Brussel. Hij vindt dat de pers geen namen mag vermelden tot de raadkamer iemand heeft doorverwezen. Als slachtoffers eerder zelf naar de pers stappen, dan moeten die journalisten wachten tot de raadkamer beslist heeft over de verwijzing, zo luidt het. Van Gerven wil dat deze regel wordt afgedwongen met sterke geldboetes en celstraffen. (Zie: hier, nvdr).

En nu is er dus het wetsvoorstel-Giet.

2. Wat zegt het voorstel-Giet?

Volgens hun voorstel moet de voorzitter van de rechtbank in de toekomst publicaties en foto's die het vermoeden van onschuld schenden, kunnen verbieden. Hij moet ook rechtzettingen kunnen bevelen. Hij is immers bevoegd voor de schendingen van subjectieve rechten, zo stellen de indieners. Ze willen dat de voorzitter snel beslist, net zoals dat in een kort geding gebeurt. Maar toch willen ze niet dat de kortgedingrechter over deze zaak beslist, "omdat dit door de pers als een vorm van preventieve censuur kan worden uitgelegd."

De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg moet dit publicatieverbod ook kunnen opleggen als het "recht op vergetelheid" van personen die meer dan zes maanden geleden veroordeeld zijn, "nodeloos geschonden wordt". De indieners willen zo de resocialisatie van veroordeelden bevorderen. Die kan in het gedrang komen als telkens opnieuw een mediahetze ontstaat rond een vervroegde vrijlating en als telkens opnieuw oudere feiten worden opgerakeld, zodat de betrokkene geen woonst of werk kan vinden.

Dat laatste punt willen de indieners alweer laten vallen, zo kondigden ze aan.

De Kamercommissie Justitie hoorde de voorbije weken een aantal deskundigen en betrokkenen over het voorstel. In de hoorzittingen gaf iedereen toe dat er een ernstig probleem is, maar bijna iedereen keerde zich tegen het voorstel. Sommige sprekers hadden alternatieve voorstellen, maar die werden dan weer door anderen betwist.

3. Wat zeggen de voorstanders?

Eén van de weinige voorstanders van het voorstel was de Brusselse rechter Beatrice Taevernier. Zij vond dat geen enkele bestaande maatregel om het vermoeden van onschuld en iemands goede naam te beschermen tegen een "mediatieke lynchpartij" efficiënt is. Ze onderscheidde drie soorten al bestaande maatregelen,die volgens haar allemaal onvoldoende zijn:

A. Preventieve maatregelen

Schending van het beroepsgeheim wordt weliswaar bestraft met zes maanden cel, maar het aantal lekken vanuit politie en gerecht neemt toe en het is zeer moeilijk te bewijzen wie gelekt heeft. Er zijn amper veroordelingen voor.

* Artikel 35 van de wet op het politieambt zegt dat de politie-inspecteurs verdachten niet mogen blootstellen aan de publieke minachting. Maar er staat geen sanctie op als ze dat wel doen.

* De journalistieke deontologie werkt onvoldoende. Ze werkt alleen op klacht, de Raad voor Journalistiek kan geen tuchtsancties opleggen en aan de uitspraken wordt geen ruime publiciteit gegeven, alleen maar in de eigen media zelf. Deze "sanctie" is onvoldoende zwaar in vergelijking met de schade die is aangericht.

Procedures in kort geding hebben momenteel geen zin. De kortgedingrechter kan niét op voorhand lasterlijke publicaties of uitzendingen verbieden omdat de wet daartoe te vaag is. Dat vond het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg in het RTBF-arrest van 29 maart 2011. De Belgische wet is te vaag omdat er een verschillende behandeling is van de geschreven pers en de audiovisuele pers. En ook omdat de rechtspraak van Cassatie (29 juni 2000) en die van het Grondwettelijk Hof (6 oktober 2004) elkaar flagrant tegenspreken: voor Cassatie kan een preventieve ingreep wel, voor het Grondwettelijk Hof niét.

De kortgedingrechter kan wél achteraf lasterlijke publicaties verbieden, maar dat is te laat.

B. Strafmaatregelen

* Mediatieke lynchpartijen kunnen een misdrijf zijn: laster. Maar ze blijven meestalstraffeloos, want het gaat om persmisdrijven. Die moeten voor het assisenhof komen en dat gebeurt nooit. Taevernier hekelde terloops het feit dat deze regel alleen geldt voor de geschreven pers en niet voor de audiovisuele pers. Volgens haar moeten beide gelijkgeschakeld worden.

Laster kan maar bestraft worden nadat de feiten waarover de laster ging beoordeeld zijn. Dat duurt te lang en het voorkomt aanslagen op het vermoeden van onschuld niet.

C. Herstelmaatregelen

* Het Recht van Antwoord. Dit is onefficiënt om een eerlijk persoon te beschermen tegen schendingen van het vermoeden van onschuld. Het komt te laat, het rakelt de bewuste feiten weer op in media met ruime verspreiding.

* Het Recht op afbeelding. Dat bestaat, maar het is onvolledig. De politie moet nu al verdachten beschermen tegen opdringerige persfotografen, maar er staat geen sanctie op als ze dat niet doet; in jeugdbeschermingszaken mag de verdachte niet herkenbaar worden gebracht; de voorzitter van een rechtbank kan in zijn rechtbank altijd verbieden dat foto's worden genomen. Maar die regels zijn onvoldoende. Taevernier pleitte voor het Franse systeem: daar is uitdrukkelijk bepaald dat geen enkele verdachte geboeid mag worden gefotografeerd.

Artikel 1382. Dat artikel van het burgerlijk wetboek biedt aan al wie schade leed door een onrechtmatige daad van iemand anders, de mogelijkheid om daarvoor een schadevergoeding te vragen. Taevernier beklemtoonde dat deze procedure te lang duurt, dat de schadevergoedingen meestal veel te laag zijn en dat ze de schendingen van het vermoeden van onschuld niet doen stoppen.

Kortom: de huidige wet voldoet niét.

De rechter stelde dat het voorstel-Giet strookt met de Europese rechtspraak in Straatsburg. "De arresten Libor Navale tegen Tsjechië (13 november 2003) en A. tegen Noorwegen (29 juli 2009) verplichten de Europese staten om positieve maatregelen te nemen om het vermoeden van onschuld te doen beschermen", zo zegde ze. Dat niet doen, is naïef zijn. "Neem nu de gemediatiseerde Kasteelmoord. Rechters zullen altijd zeggen dat ze niet beïnvloed zijn door mediacampagnes en dat het vermoeden van onschuld van de verdachte niet geschonden is, maar ik weet dat zeer moeilijk is om als rechter nog een sereen oordeel te vellen in een mediatieke sfeer van een omgekeerde pensée unique."

Het huidige voorstel beschermt volgens Taevernier het dubbele recht op privacy én het recht op een eerlijk proces.

4. Wat zeggen de tegenstanders?

De meeste sprekers waren echter tegen het voorstel. Sommigen formuleerden alternatieven, anderen niet. We delen dit onderdeel op in: deskundigen, pers en rechters.

4.1. Deskundigen

Bij de deskundigen vielen vooral de - deels tegengestelde - meningen van de professoren mediarecht, Dirk Voorhoof en Leo Neels, op.

4.1.1. Voorhoof

Professor Voorhoof (Universiteit Gent) verwierp het voorstel om vele redenen:

* Het vermoeden van onschuld geldt voor de overheid, voor rechters, juryleden, het parket, de politie en bepaalde politici (de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken), maar niet voor de pers. Dat bepaalt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. (Terzake wees de Brusselse persraadsheer Patrick Mandoux erop dat het Belgische Hof van Cassatie een ietwat ruimere interpretatie van het vermoeden van onschuld heeft dan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. "Het voorstel-Giet zou duidelijk moeten maken hoe het tegenover deze rechtspraak staat", nvdr).

* Dit wetsvoorstel voert via een procedurewet een nieuw recht voor de burger in: het vermoeden van onschuld. En dat doe je beter niet op die manier.

* Dat nieuwe recht (het "vermoeden van onschuld") wordt te vaag gedefinieerd. De bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg wordt in het voorstel te ruim én te eng. Te ruim omdat te veel verschillende dingen onder dit "vermoeden van onschuld" vallen: onterende beelden, valse berichten, onnodig kwetsende berichten…Te eng omdat er ook andere redenen kunnen zijn waarom die voorzitter de bewuste maatregelen zou moeten kunnen nemen: nl. het recht op privacy of de bescherming van de rechten van slachtoffers. (Ook de Brusselse persraadsheer Patrick Mandoux zegde dat de notie "vermoeden van onschuld" in het voorstel te vaag is. "Wat moet de pers in welk geval doen om het vermoeden van onschuld te respecteren? Dat moet duidelijk gemaakt worden. Dan zal duidelijk worden dat het voorstel om de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in te schakelen in vele vallen geen zin heeft", nvdr).

* Volgens de Straatsburgse rechtspraak is er slechts een inbreuk op het vermoeden van onschuld als de verdachte door de berichtgeving de garantie op een eerlijk proces verliest. De staat mag zich alleen maar mengen in de berichtgeving als de betrokkene geen waarborgen meer heeft voor een eerlijk proces. En daar is de Straatsburgse rechtspraak zeer streng over: er is niet al te snel een inbreuk op de rechten van verdachten. Denken we slechts aan de zaak van Willy Claes, die in de Agusta-affaire botving in Straatsburg.

Voorhoof wees het voorstel dus af en pleitte voor andere maatregelen.

4.1.2. Neels

Professor Leo Neels (Universiteit Antwerpen) vond dat er twee verschillende problemen zijn: de huidige gerechtsjournalistiek; de lekken in het onderzoek.

"De lekken in gerechtelijke onderzoeken zijn totaal onduldbaar. Er zou een nultolerantie tegen moeten zijn, maar er is een totaal laisser-aller. De gerechtelijke onderzoeken zijn vergieten geworden, terwijl er voldoende wettelijke maatregelen zijn om op te treden. Het is en blijft een attitudeprobleem. Dat bewijzen andere ambtenaren. Waarom moet de politie altijd lekken? Andere ambtenaren doen dit toch niet! Er zijn geen lekken van belastingaangiftes, sommige administraties houden zich dus wel aan de wet. Als we de trots op onze rechtsbeginselen, zoals het vermoeden van onschuld verliezen, dan verliezen we de rechtsstaat."

Neels vond ook dat de gerechtelijke pers zich moet bezinnen. Hij meende - in tegenstelling tot professor Voorhoof - dat het vermoeden van onschuld wel degelijk een burgerlijk persoonlijkheidsrecht is dat ook door de pers moet worden gerespecteerd. "Weliswaar nog niet volgens het Europees Hof van Straatsburg, dat dit vermoeden van onschuld wil beperken tot overheden. Het Straatsburgse Hof zit daar m.i. fout. De rechtsleer en het Hof van Cassatie aanvaarden dat het vermoeden van onschuld een onderdeel is van het recht op een goede naam. M.i. moet dus ook de pers het vermoeden van onschuld respecteren. De gerechtsjournalisten moeten hun zelfgenoegzaamheid laten varen, ze moeten zich eens moeten afvragen hoe ze zouden reageren als hun ouders of hun kinderen zo behandeld zouden worden zoals zij dat met sommige verdachten doen. Ze zouden zich moeten concentreren op de rechtbankverslaggeving en die kritisch bekijken".

Neels reageerde nogal defaitistisch door te zeggen dat "een deel van de oplossing van het probleem erin bestaat om het te aanvaarden. De vrijheid van meningsuiting is een hoog goed en in ieder regime van vrije meningsuiting is er een foutenmarge". Het voorstel-Giet is volgens hem géén goed voorstel, uiteindelijk gaat het om een attitudeprobleem en moet er niet zoveel veranderen.

4.2. Pers

Flip Voets, de secretaris-generaal van de Raad voor de Journalistiek, die deontologische inbreuken van journalisten aanpakt, kantte zich tegen het wetsvoorstel en vond dat zijn Raad "goed werk levert". In 2011 kwamen bij de Raad 75 klachten binnen, waarvan ongeveer een derde ging over schending van de privacy. De Raad handelde in totaal 150 klachten af, waarvan de helft werd gegrond verklaard. "Wij zijn het enige deontologische orgaan dat zijn uitspraken met naam en toenaam publiceert op zijn website. Dat zijn wel degelijk sancties. Wij zijn géén corporatistisch orgaan, want er zitten ook magistraten in onze raad. Laat ons ons werk doen!", zo besloot hij.

Voets vond het nieuwe wetsvoorstel te vaag: "Het zal leiden tot onvoorspelbare beslissingen en tot rechtsonzekerheid. Het zal vooral het tegenovergestelde effect hebben. Veronderstel dat een verdachte uit de kasteelmoord naar de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg stapt omdat zijn vermoeden van onschuld is geschonden. Als de rechter dit volgt, dan zou die beslissing heel groot nieuws zijn en in Straatsburg wellicht niet houdbaar". Hij beklemtoonde - net als de uitgevers in een latere hoorzitting - dat men momenteel werkt aan een verplichte rechtzetting van foute berichten op het internet.

* Namens de Vlaamse Vereniging van Journalisten vond Pol Deltour dat "het wetsvoorstel het delicate evenwicht tussen informatievrijheid en rechten van verdachten zwaar scheef dreigt te trekken. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg krijgt immers eenblanco cheque. De bestaande wettelijke mechanismen volstaan ruimschoots", zo luidde het.

4.3. Magistraten

Sommige magistraten hadden nogal wat bedenkingen. We gaven er al enkele hoger weer. Nog twee andere:

* Er was nogal wat kritiek op de procedure. De benadeelde stapt niet naar de kortgedingrechter, omdat dit door de pers als censuur zou kunnen worden uitgelegd. Maar hij stapt wel naar de voorzitter die dan zetelt "zoals in kort geding". Dat komt omdat die voorzitter bevoegd is voor de subjectieve rechten. Raadsheer Patrick Mandoux vroeg zich af wat eigenlijk het verschil in de praktijk zal zijn. "In Brussel duurt het precies even lang vooraleer dergelijke zaken voorkomen. Waarom is de kritiek op de kortgedingprocedure niet van toepassing op de procedure uit het voorstel-Giet?", zo betoogde hij. (Je kan dit nog met meer reden afvragen omdat in sommige gerechtelijke arrondissementen de kortgedingrechter tevens de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg is, nvdr.).

* Rechter Dirk Van Der Kelen, de voorzitter van de rechtbank van Dendermonde, had grote vragen bij het recht op vergetelheid. "Als een veroordeelde niet wil dat zijn naam en feiten nog worden genoemd, dan kan hij daarvoor volgens het voorstel een rechtszaak inspannen. Maar dit zal tot het omgekeerde resultaat leiden. Bovendien is een termijn van zes maanden na de veroordeling wel erg kort om al een recht op vergetelheid toe te staan, zeker bij heel zware misdaden." Van Der Kelen vroeg zich verder af of de pers nog mag berichten over beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbanken. En wat bij ontsnappingen uit de gevangenis of recidive? Het voorstel staat volgens Van Der Kelen zeker niet op punt.

Ook persraadsheer Patrick Mandoux had bedenkingen: "Ik heb nog nooit van dit recht gehoord. Het is een nieuwigheid, die minstens duidelijk gedefinieerd zou moeten worden. En dat gebeurt nu niet. Het is ook moeilijk om zowel het vermoeden van onschuld als het recht op vergetelheid in eenzelfde voorstel te regelen."

5. Alternatieven

Tijdens de hoorzittingen werden ook alternatieve voorstellen geformuleerd. We brengen er enkele.

* Beatrice Tavernier en ook professor Leo Neels vonden dat het vermoeden van onschuld in het burgerlijk wetboek moet worden opgenomen als persoonlijkheidsrecht, zodat ook de pers zich daaraan moet houden en niet alleen de overheid. Nu is dat niet, maar in Frankrijk is het vermoeden van onschuld een persoonlijkheidsrecht.

* Dirk Van Der Kelen wil de Raad voor de Journalistiek, die nu toeziet op de deontologie van de journalisten, omvormen tot een echte Orde van Journalisten die dwingende tuchtsancties kan opleggen, want dat kan nu niet. "De zelfregulering gaat niet ver genoeg, ze werkt niet."

Deze visie werd door de meeste andere sprekers verworpen. Niet alleen de journalistenbond zelf, maar ook de professoren Leo Neels en Dirk Voorhoof keerden zich tegen deze idee. Voorhoof: "Dit is het monster van Loch Ness, het duikt iedere keer weer op als er problemen zijn. In de jaren dertig werd het voorgesteld, na de zaak-Dutroux werd het voorgesteld. De langst bestaande Orde van Journalisten functioneerde onder Mussolini! Zo'n orde kan niet omdat iedereen het recht heeft om journalist te zijn, terwijl zo'n orde de kloof tussen de beroepsjournalisten enerzijds en de burgerjournalisten en de journalisten van gespecialiseerde bladen alleen maar zal vergroten en die is nu al zo groot".

Voorhoof zag - net als zijn ULB-collega Jean-Jacques Jespers - wel iets in de idee om een bijkomende voorwaarde toe te voegen aan de vereisten om erkend te worden als beroepsjournalist. Men zou meoten aanvaarden dat de perskaart kan worden geschorst of ingetrokken als de journalist de deontologie niet naleeft. Maar professor Leo Neels wees ook die idee van de hand omdat het verschil tussen beroeps- en niet-beroepsjournalisten dan nog groter wordt.

* Lieve Pellens, persmagistrate van het federaal parket, wilde dat permisdrijven voor de correctionele rechter komen. "Door de instelling van persmagistraten werd justitie transparanter, toegankelijker en menselijker maar de communicatie over gerechtszaken gleed op korte tijd af naar een 'naming en shaming' mentaliteit. Er zijn nu heuse mediaprocessen", zo betoogde ze.

Volgens haar zijn journalisten nu zo goed als straffeloos omdat persmisdrijven voor het assisenhof moeten komen. En dat gebeurt nooit zodat die misdrijven straffeloos blijven. Pellens vond dat de grondwet moet worden herzien, zodat het persmisdrijf daadwerkelijk kan worden vervolgd voor de correctionele rechtbank. Om dat efficiënt te doen moet ook de erg korte verjaringstermijn van het persmisdrijf worden herzien.

Pellens' idee kon op niet veel steun rekenen. Terzake zegde professor Voorhoof dat momenteel alleen aanzetten tot racisme in de pers voor de correctionele rechter moeten komen. Hij wil dat ook homohaat en moslimhaat voor die correctionele rechter komen. "In het arrest-Vejdeland van 9 februari jl. heeft het Straatsburgse Hof aanzetten tot racisme gelijkgesteld met aanzetten tot homodiscriminatie", zo heette het. "Wij moeten dat dus volgen. Maar daarvoor moet de grondwet worden herzien. Een ander punt op dit vlak is dat alle media op dezelfde manier zouden moeten worden behandeld. Nu is daarover grote onduidelijkheid." Voorhoof bedoelt daarmee dat het persmisdrijf nu in principe alleen maar geldt voor de geschreven pers, niet voor de televisie en ook niet voor het internet. Maar toch is er rechtspraak van lagere rechtscolleges die dat anders ziet.

* Moet het eenzijdig verzoekschrift worden verboden? Momenteel kan een partij die denkt benadeeld te worden door een publicatie of uitzending naar de kortgedingrechter stappen om de publicatie te verhinderen. Dat kan zonder dat het medium zelf wordt gehoord. Dat mag eigenlijk niet meer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg (in het RTBf-arrest van 29 maart 2011), maar de wet is nog niet veranderd. Professor Neels had geen bezwaar tegen dit eenzijdig verzoekschrift, "maar de rechters zouden wel wat meer moeite moeten doen om hun beslissing goed te motiveren". Voorhoof vond een eenzijdig verzoekschrift om een publicatie verbieden niét kunnen, maar hij wil het eenzijdig verzoekschrift wel behouden om een rechtzetting af te dwingen.

* De professoren Neels en Voorhoof willen bovendien de wet op het recht van antwoord herzien. "De wet is te stroef en te strak en ze zou beter bij de strafrechter worden weggehaald. De afdwinging van een recht van antwoord moet bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg gebeuren", zegde Neels. En dat moet dan snel gaan, in een procedure zoals die van het kort geding. Ook Voorhoof steunde deze visie. Hij wilde verder nog dat een recht van antwoord moet kunnen op het internet. Nu is dat niet zo. Voorhoof vond voorts dat betrokkenen meer dan drie maanden de tijd moeten hebben om foute berichtgeving recht te zetten. "Als iemand achteraf niet vervolgd wordt of vrijgesproken, dan moet hij dat ook kunnen melden."

* Patrick Mandoux, persraadsheer bij het Brusselse Hof van Beroep, vond datpersmagistraat een volwaardige baan moet worden. Hij vond het moeilijk om dit nu "bij te doen", naast de gewone zittingen en arresten. De meeste aanwezige persmagistraten traden die visie bij.

* Lieve Pellens van het federaal parket had ook - uit eigen naam - voorstellen om het attitudeprobleem bij de speurders aan te pakken. Ze hekelde de normvervaging bij de journalistieke bronnen. "Door het bijna absolute bronnengeheim van de journalisten permitteren die zich bijna alles. In de zaak van de kasteelmoord kwam Leo Stoops in het VRT-journaal al vrij snel - nog voor het lijk werd gevonden - alle mogelijke onderzoekspistes uitleggen. Dat kan maar omdat de speurders of andere mensen die bij het onderzoek betrokken zijn, die hebben meegedeeld. Ik hoop dat het Brugse parket een onderzoek start en de verantwoordelijken vervolgt", zo heette het.

"Tegenwoordig zijn alle huiszoekingen op voorhand bekend bij de pers, behalve die in terrorismezaken. Dat is de enige uitzondering. Als vanop het federaal parket iets uitlekt, dan starten wij systematisch een onderzoek naar schending van het beroepsgeheim. Helaas kan je bijna niemand daarvoor nog veroordeeld krijgen omdat je geen onderzoek kan opstarten bij de journalisten, want hun bronnengeheim is heel absoluut. Sinds dat bronnengeheim bestaat, is er een grote normvervaging bij de speurders en bij andere groepen die bij het onderzoek betrokken zijn, ontstaan. Maar zelfs als we niemand kunnen bestraffen voor schending van het beroepsgeheim, dan heeft een onderzoek hopelijk toch een afschrikkend effect", zo luidde het.

5. En verder...

Hoe gaat het nu verder? Volgende week discussieert de Kamercommissie Justitie over het gevolg dat aan het voorstel wordt gegeven na de hoorzittingen. Mogelijk wordt het helemaal afgevoerd of minstens grondig hervormd.

Kamerlid Renaat Landuyt (sp.a) wil alvast zijn voorstel om het eenzijdig verzoekschrift in perszaken te beperken tot een rechtzetting (en dus niet tot een publicatieverbod vooraf) opnieuw op de agenda zetten. Hij wil ook de wet op het recht van antwoord herzien in de zin zoals de deskundigen hadden bepleit.

http://www.gva.be/nieuws/experts/johndewit/aid1132598/de-perswet-over-het-vermoeden-van-onschuld.aspx

De commentaren zijn gesloten.